Buitenlandse ziektes

We hebben als stichting voor u een kleine lijst gemaakt met buitenlandse ziektes. Deze lijst hebben we gemaakt omdat we u graag bekend willen maken met deze ziektes en hun gevolgen. Het is niet zo dat deze ziektes veel voorkomen o.i.d. maar we willen echter wel een paar ziektes uitlichten. We vinden het erg belangrijk dat u weet dat er altijd een kans bestaat dat uw hond ook slachtoffer kan zijn of worden.

Uiteraard zorgen wij ervoor dat de hondjes gezond bij u komen, echter sommige dingen zijn helaas niet op te sporen, net als bij ons mensen. In een zeldzaam geval is het zo dat een hondje, dat voor adoptie beschikbaar is, behandeld wordt voor een ziekte. In dit geval wordt u daarvan op de hoogte gebracht. In de meeste gevallen zal het zo zijn dat het hondje pas mag worden opgehaald wanneer hij gezond is.

Wat is het en waar komt het voor

Hartwormen zijn wormen die zich bij honden (en katten) in het hart en longslagaders kunnen nestelen. Ze worden overgebracht door middel van een muskietensteek in warme landen. In Nederland komt hartworm niet voor maar de parasiet lijkt zich wel steeds verder te verspreiden en hartworminfecties zijn inmiddels al waargenomen tot in Noord-Frankrijk (iets om rekening mee te houden als u uw hond meeneemt op vakantie).

 

Hoe verloopt een besmetting

Hartwormen worden uitsluitend door muskieten overgebracht en kunnen dus niet via bijvoorbeeld bijtwonden of contact met ontlasting op een andere hond worden overgedragen.

Volwassen hartwormen bevinden zich in de longslagaders en bij zware infecties ook in het hart zelf en richten beschadigingen aan op die plaatsen. Soms kunnen ze zelfs doordringen tot in de Vena Cava, de grote holle lichaamsader. De vrouwelijke hartwormen produceren larfjes (microfilaria genoemd) die in het bloed circuleren en tot ruim twee jaar in leven kunnen blijven.

Een muskiet die een besmette hond steekt en bloed opzuigt, kan daarbij microfilaria meenemen. De microfilaria ontwikkelen zich binnen twee tot zes weken in de muskiet tot larfjes die bij een volgende steek weer naar buiten komen en een nieuwe hond kunnen besmetten.

Na de steek duurt het 75 tot 120 dagen voordat de larfjes in de bloedbaan terecht komen en zich naar hart en longen laten vervoeren. Zes-en-een-half tot zeven maanden na de besmettende steek is de hartworm volwassen geworden en kan zelf microfilaria gaan produceren. De volwassen wormen kunnen vijf tot zeven jaar oud worden en kunnen al die tijd dus ook microfilaria produceren.

Een enkele keer ‘verdwalen’ de larfjes en nestelen zich op de verkeerde plaats zoals in het oog, in de hersenen of in een beenader. Dit kan in zeldzame gevallen symptomen geven als blindheid, epileptische aanvallen of kreupelheid.

 

Komt hartworm ook bij katten voor?

Een hartworminfectie kan ook bij katten voorkomen maar zij zijn er veel minder gevoelig voor. De wormen leven in de kat veel minder lang (2-3 jaar) en produceren maar zelden microfilaria. Bij katten verdwijnt de besmetting soms ook vanzelf, waarschijnlijk omdat ze een sterkere afweerreactie vertonen.

 

Symptomen

De symptomen van een hartwormbesmetting kunnen zijn:

lusteloosheid, vermoeidheid

minder uithoudingsvermogen

hoesten en kuchen (en harder hoesten naarmate de hond zich meer inspant)

bloed ophoesten

benauwdheid

gewichtsverlies

flauwvallen

De eerste tekenen van een hartwormbesmetting zijn kuchen en hoesten, vooral na lichamelijke inspanning. In een later stadium kan de hond gewicht verliezen, flauwvallen, bloed ophoesten en uiteindelijk sterven aan hartfalen.

Ook bloedarmoede (door beschadiging van rode bloedcellen en nierbeschadiging), vocht in de longen, een vergrote lever, een vergroot hart en vocht in de buikholte komen voor.

Bij een acuut ziektebeeld kan het gebeuren dat een hond -zonder eerdere tekenen van besmetting- plotseling in shock raakt omdat wormen de Vena Cava (holle lichaamsader) bereikt hebben en het hart tekort schiet in de pompfunctie.

Er zijn vrij veel honden die –ondanks besmet te zijn- geen of weinig tekenen van infectie geven, zelfs nadat de hartwormen volwassen zijn geworden. Deze honden hebben slechts een lichte hartworminfectie en leiden een rustig leven met weinig lichamelijke inspanning. Erg actieve honden en honden met een zwaardere besmetting zullen wel de klassieke symptomen van een hartwormbesmetting laten zien.

Diagnose

 

Als uw hond uit een risicogebied afkomstig is of mee is geweest op vakantie in een van de zuidelijke landen (denk hierbij ook aan Frankrijk) en klachten heeft die wijzen op een hartaandoening, moet u er op bedacht zijn dat de hond mogelijk met hartwormen besmet is geraakt.

Op röntgenfoto’s van de borstholte zijn vaak de verwijde longslagaders al te zien, net als vocht in de longen en een vergroot hart. Met een echografie, het maken van een ECG en bloedonderzoek kan de diagnose met grotere zekerheid gesteld worden.

Voorkomen en behandelen

 

Een hartwormbesmetting is in principe goed te voorkomen met de daarvoor bestemde middelen (zoals pipetjes Stronghold of het ontwormingsmiddel Milbemax). Als u met de hond op vakantie gaat naar een risicoland begint u de behandeling al voor vertrek en gaat u er mee door tot een maand na thuiskomst.

Zolang de hartworm nog niet volwassen is (dus jonger dan 6-7 maanden), is hij goed te bestrijden met Stronghold of Milbemax. Als de hartwormen eenmaal volwassen zijn en zich in het hart hebben vastgezet, wordt de behandeling lastiger en brengt meer risico’s met zich mee.

De volwassen wormen kunnen door middel van injecties gedood worden, maar voordat daarmee begonnen wordt moeten eerst de hart-, lever- en nierfuncties onderzocht worden omdat de behandeling risicovol is. De door de injecties gedode hartwormen kunnen namelijk massaal loslaten, worden meegevoerd door de bloedstroom en vervolgens trombose (afsluiting van bloedvaten) veroorzaken. Bij deze behandeling moet de hond wekenlang rustig worden gehouden, hij mag zich beslist niet inspannen, zodat de dode wormen langzaamaan kunnen worden geabsorbeerd door het lichaam.

In ernstige gevallen kunnen hartwormen operatief verwijderd worden. Zes weken later moeten dan de nog aanwezige larfjes in het bloed onschadelijk worden gemaakt maar dit is een lichte behandeling. Als de hond op deze wijze is behandeld zijn de vooruitzichten verder goed, maar de operatie zelf is behoorlijk risicovol.

Een behandeling met minder risico voor de hond is gedurende de levensduur van de volwassen worm (dus tot zeven jaar) maandelijks te behandelen met een pipetje Stronghold. Hierdoor sterven de steeds opnieuw geproduceerde larfjes. De volwassen wormen sterven in de loop van zeven jaar uiteindelijk een voor een door ouderdom en daardoor is er veel minder risico op trombose dan bij de behandeling met injecties (waarbij de wormen tegelijkertijd doodgaan)

Wat is het en waar komt het voor

Leishmaniose is een ziekte die wordt veroorzaakt door Leishmaniaparasieten. Deze ziekte kan in principe alleen worden overgedragen door de zandvlieg (eigenlijk geen vlieg maar een klein behaard mugje). Deze zandvliegjes komen voor in de meeste mediterrane landen, waar deze ziekte dan ook vrij algemeen voorkomt. Maar ook in Frankrijk komt de zandvlieg al voor en is er dus een risico op besmetting wanneer men de hond daar mee naar toe neemt op vakantie. In Nederland komt de zandvlieg nog niet voor maar de verwachting is dat deze -gezien de klimaatsverandering- uiteindelijk ook hier zijn intrede zal doen.

De volwassen en jongvolwassen honden worden door ons terwijl ze nog in het buitenland zijn getest op Leishmaniose. De test geeft een goede indicatie maar is helaas niet 100% betrouwbaar, mede omdat de test in feite een beeld geeft van 3-4 maanden geleden. Bij pups heeft het dus nog geen zin om te testen.

De incubatietijd van Leishmaniose wordt geschat op 7 jaar. Het is dus niet zo dat een uit het buitenland afkomstige hond die al een aantal jaren in Nederland is, de ziekte niet kan hebben. Dit geldt overigens ook voor een hond die met de baasjes in het buitenland op vakantie is geweest! De hond kan de parasiet dus bij zich hebben zonder ziek te zijn.

Leishmaniose kan overigens alleen worden overgedragen met tussenkomst van de zandvlieg. Muggen, vlooien of teken kunnen de ziekte dus niet overdragen.

In Nederland hebben de meeste dierenartsen weinig ervaring met deze ziekte. Heeft u een hond uit het buitenland of heeft u uw hond mee op vakantie genomen naar het buitenland, geef dit dan altijd aan bij een dierenartsbezoek.

Belangrijk: het is mogelijk dat u uw overredingskracht moet gebruiken om de hond te laten testen en/of behandelen omdat veel Nederlandse dierenartsen de symptomen van Leishmaniose niet als zodanig herkennen.

 

Symptomen

Leishmaniose kan zich op verschillende manieren uiten. De algehele toestand van de hond verandert, de hond kan behalve uiterlijke ook inwendige symptomen hebben. Het kan dus zijn dat de hond maar weinig of geen voor het oog zichtbare symptomen laat zien. Dat is en blijft het moeilijke van Leishmaniose. De meest voorkomende symptomen zijn:

Algehele toestand van de hond:

geleidelijk toenemende lusteloosheid, minder eetlust, gewichtsverlies (ook als de hond wel goed eet), bewegingsproblemen, wisselende kreupelheid, koorts, diarree, gewrichtsaandoeningen

Uiterlijke symptomen:

schilfering en/of kaalheid van de huid (vooral rond de ogen en op de oorranden), een enkel kaal plekje (bijvoorbeeld op een poot) dat maar niet geneest, korsten en kloven aan neusspiegel en voetzooltjes, bulten/bobbels op het lijf, afwijkingen aan de nagels (snelgroeiend of verdikt), zweren aan de huid en slijmvliezen, slecht- of niet genezende wondjes, neusbloedingen, rode geïrriteerde huid, bleke slijmvliezen, blauwe plekken .

Niet zichtbare symptomen:

vergrote lymfeknopen, vergrote lever/milt, chronische darmvliesontsteking (met als gevolg braken en diarree), nierinsufficiëntie (voornaamste doodsoorzaak van Leishmaniose)

Bij bloedonderzoek:

totaal eiwitten vrijwel altijd verhoogd, albuminegehalte vaak verlaagd, hematocriet waarde vaak verlaagd, leukocyten meestal normaal , slecht functionerende nieren en/of lever

 

Diagnose

Leishmaniose is aan de hand van de symptomen een moeilijk te herkennen ziekte. Zelfs bij geringe twijfel is het dus aan te raden de hond te laten testen, ook als de dierenarts zegt dat het allemaal wel mee zal vallen omdat de symptomen niet duidelijk genoeg zijn.

Om actieve (dus “wakkere”) Leishmaniose te kunnen ontdekken, wordt een test gedaan op het bloed. Deze test toont het aantal antilichamen tegen de ziekte in het bloed aan. Dit wordt dan uitgedrukt in een bepaalde titer (= hoeveelheid aangetroffen antilichamen). Meestal is het zo dat hoe hoger de titer hoe ernstiger het stadium van de ziekte is (al kan ook een hond met een relatief lage titer erg ziek zijn maar maakt zijn/haar lichaam simpelweg (te) weinig antilichamen aan).

Ook kan het zijn dat de hond besmet is met Ehrlichia (een andere mediterrane ziekte, veroorzaakt door een teek, zie elders op deze site) wat een foute uitslag kan geven bij de Leishmaniosetest. Belangrijk is dan ook om de hond altijd op beide ziektes tegelijk te laten testen.

Er zijn meerdere testen voor honden die mogelijk besmet zijn met Leishmaniose, namelijk:

PCR-test: deze test wordt uitgevoerd middels een beenmergpunctie en spoort DNA-ketens van de parasiet op. Een betrouwbare test die ook Leishmaniose kan opsporen als een hond geen symptomen heeft maar wel drager is (dus als de parasiet ‘slapende’ is).

IFAT-test: deze test geeft de hoeveelheid afweerstoffen tegen de parasiet aan en is aan te raden als de hond maar weinig symptomen heeft.

ELISA-test: deze test biedt een betrouwbaarheid van 80-100%, maar kan in de vroege fase van de ziekte vals negatieve uitslagen geven. Bij twijfel is aan te raden om na een aantal weken opnieuw te testen.

DAT-test: is een test op antilichamen in het bloed en kan net als de Elisa-test in een beginstadium vals negatieve uitslagen geven.

In Nederland zal menig dierenarts helaas pas gaan behandelen als er duidelijke symptomen waargenomen kunnen worden, al heeft de hond een veel hogere titer. Het is dus verstandig de dierenarts altijd te vragen naar de vastgestelde titer.

 

Behandeling

In principe is de hond te behandelen. Als bij de hond Leishmaniose is aangetoond, is het belangrijk om zo snel mogelijk met de behandeling te beginnen. Alvorens met de behandeling te beginnen is het verstandig de dierenarts te vragen om:

een urineonderzoek met name op eiwitten in de urine

een bloedonderzoek op lever en nieren (ureum/kreatine/fosfaat/elektrolyten)

een eiwitspectrum voor met name de gammaglobulinen (globulinen bijvoorbeeld zijn verhoogd bij chronische ontsteking)

haematologisch onderzoek hematocriet/leukocyten (bloedbeeld)

Hieruit kan de dierenarts een goed beeld krijgen hoe de hond er ‘van binnen voor staat’ en welke behandeling de hond het best kan verdragen.

Er zijn drie soorten medicatie die bij Leishmaniose gebruikt kunnen worden:

Allopurinol

De eerste keus (volgens de diergeneeskundige faculteit van Utrecht) is de behandeling met Allopurinoltabletten (deze worden bij mensen gebruikt tegen jicht). Dit medicijn brengt de Leishmaniaparasiet weer in slaap, maar doodt de parasiet niet. De dosering is 20 mg/kg lichaamsgewicht per 24 uur verdeeld over twee gelijke doses met een verplichte tussentijd van 8 uur.

Deze medicatie kan de nieren enigszins aantasten doordat het een gruislaagje achterlaat in de nieren. Verder heeft Allopurinol weinig tot geen bijwerkingen. Het kan zijn dat de hond af en toe misselijk wordt (braken). Verwacht niet dat de tabletten binnen een week verbetering geven. Meestal duurt het een aantal weken voordat je zichtbaar veranderingen ziet bij de hond. Vaak wordt aangeraden de Allopurinol langere tijd te gebruiken en (preventief) eens per jaar een totaal bloedbeeld en lever- en nierwaardes laten bepalen.

Milteforan

In Nederland wordt momenteel ook gebruik gemaakt van een vrij nieuw medicijn, Milteforan. Dit medicijn belooft de mogelijkheid te hebben de parasiet te kunnen doden. Milteforan heeft volgens de fabrikant (Virbac) weinig bijwerkingen en is niet erg belastend voor de nieren. Wel moet de leverfunctie toereikend zijn, dit ter beoordeling van de dierenarts. Tijdens het gebruik van Milteforan moet wel met de Allopurinol worden doorgegaan. De door de fabrikant van Milteforan geteste dosering Allopurinol is dan 10mg/per kg lichaamsgewicht van de hond.

De werkzame stof in Milteforan, Miltefosine genaamd, kan ook doordringen in het beenmerg en de organen, waar de parasiet zich bij voorkeur terugtrekt, en ter plekke de parasiet vernietigen. Het medicijn heeft daarvoor wel tijd nodig, dus de kuur moet absoluut worden afgemaakt.

Milteforan moet 28 dagen worden gegeven. De dosering van de oplossing (20 mg/ml) is 1 ml per 10 kg lichaamsgewicht per dag, over de maaltijd of een gedeelte van de maaltijd (bij voorkeur dan het eerste gedeelte van de maaltijd om zeker te zijn dat de hond de volledige dosis binnen krijgt). Belangrijk hierbij is dat de hond voor en gedurende de behandeling af en toe wordt gewogen, om de juiste dosering te behouden. Over- of onderdoseren geeft niet het gewenste resultaat, geeft geen extra resultaat, kan schadelijk zijn en zal resistentie van de parasiet tegen de medicatie kunnen opleveren.

Na de kuur heeft Milteforan nog een nawerking van ongeveer 4 weken. Als mogelijke bijwerkingen vermeldt de fabrikant braken (misselijkheid) en diarree, met name in de eerste week.

Glucantime

In de mediterrane landen waar Leishmaniose voorkomt wordt ook gebruik gemaakt van het medicijn Glucantime dat de Leishmaniaparasiet mogelijk kan doden. Glucantime kan echter door zijn bijwerkingen een aanslag doen op de organen (lever en nieren) van de hond. Ook blijkt de Leishmaniaparasiet meer en meer resistent te worden, door het veelvuldig gebruik in de landen waar Leishmaniose veel voorkomt. Glucantime wordt toegediend d.m.v. injecties.

Ook al is uw hond na de behandeling “genezen” verklaard, u moet er rekening mee houden dat het een chronische ziekte is en dat er een kans is dat de symptomen terugkeren. Na behandeling met Allopurinol is de parasiet als het ware weer in slaap gebracht en zou in een later stadium weer wakker kunnen worden, vandaar dat meestal aan te raden is door te blijven gaan met de Allopurinol. Ook na behandeling met Milteforan of Glucantime is het niet zeker dat de ziekte niet weer terugkomt.

Gaat de hond weer symptomen vertonen begin dan meteen weer met de behandeling van Allopurinol (of Allopurinol met Milteforan). Het kan zijn dat dit al na enkele maanden is, maar de ziekte kan ook weer jaren weg blijven, in het gunstigste geval voor altijd. Jaarlijks een totaal bloedbeeld laten bepalen blijft verstandig.

Belangrijk bij Leishmaniose is de weerstand van de hond, bij verlaagde weerstand krijgt de parasiet meer kans om actief te worden. Ernstige stress, narcose en het gebruik van corticosteroïden (cortisonen, prednison) kan de weerstand van de hond verlagen en moet indien mogelijk vermeden worden als de hond al ziek is door Leishmaniose.

 

Voorkomen van Leishmaniose

Wilt u uw hond meenemen naar het buitenland probeer dan de risico’s op besmetting zoveel mogelijk te beperken. De zandvlieg is vaak actief bij zonsopgang en zonsondergang. Zorg dus voor goede, kleinmazige horren voor het raam. Verder is er bij de dierenarts een antiparasitaire halsband te verkrijgen van het merk Scalibor. Deze houdt de zandvlieg op een afstand (evenals teken die ook nare ziektes kunnen veroorzaken). De band beschermt niet 100% tegen de zandvlieg maar is tot nu toe de beste optie.

Over het algemeen geldt dat hoe zuidelijker men reist hoe groter de kans is op besmetting, maar ook bijvoorbeeld in Frankrijk komt Leishmaniose voor. De vlieg is actiever bij waterrijke gebieden. Het beste advies blijft om een fijn logeeradres voor uw hond te vinden in Nederland.

Wat is het en waar komt het voor

Ehrlichiose is een bacteriële ziekte die door teken wordt overgebracht. De belangrijkste drager en verspreider van Ehrlichiose, de Rhipicephalusteek, komt voornamelijk voor in de mediterrane landen, maar wordt sinds kort ook in Nederland aangetroffen.

Door de beet van een besmette teek kan de hond geïnfecteerd worden met de parasiterende bacterie Ehrlichia Canis, die zich vervolgens vermeerdert en bepaalde witte bloedlichaampjes (de Monocyten) en vaatwanden aantast. Ehrlichiose kan goed behandeld worden mits het tijdig wordt ontdekt, wat niet altijd makkelijk is door de vaak vage symptomen die ook op de ziekte Leishmaniose lijken.

 

Symptomen

Ehrlichiose kent verschillende fasen:

Acute fase:

5-21 dagen na besmetting door de teek treedt de acute fase op, deze kan zich o.a. uiten in:

Koorts, weinig eetlust, sloomheid, braken, benauwdheid, gezwollen lymfeklieren, bloedarmoede, verhoogde kans op bloeding.

Deze fase kan 2 tot 4 weken duren. Een hond met te weinig weerstand die niet tijdig behandeld wordt kan overlijden. Een hond die in deze fase wel is behandeld, maar niet afdoende, kan in de volgende fasen belanden.

Stille fase:

Als het immuunsysteem van de hond de ziekte de baas is, dan kan een stille fase aanbreken. De hond zal dan gedurende maanden of zelfs jaren géén of nauwelijks merkbare symptomen vertonen, mogelijk alleen tijdelijke lusteloosheid of gebrek aan eetlust.

Chronische fase:

Bij verminderde weerstand (veroorzaakt door bijvoorbeeld stress, behandeling met corticosteroïden zoals prednison, een narcose en dergelijke) kan de ziekte de kop opsteken en spreken we van de chronische fase. De chronische fase kan zich onder andere uiten in één of meerdere van de volgende symptomen:

Lusteloosheid, gebrek aan eetlust, gezwollen lymfeklieren, artritis / problemen met het bewegingsapparaat, vieze oogjes, ooginfecties, toevallen, benauwdheid, (neus)bloedingen, bloed in de urine, hartproblemen.

Bij bloedonderzoek:

verhoogde leveractiviteit

een laag aantal witte bloedcellen

een verlaagd aantal bloedplaatjes

Deze symptomen (die niet allemaal tegelijk hoeven voor te komen en vaak vrij vaag zijn), kunnen ook op andere aandoeningen wijzen en zodoende de dierenarts op een dwaalspoor brengen. Het is dan ook belangrijk uw dierenarts te vertellen dat uw hond uit het buitenland komt of dat uw hond mee is geweest op vakantie naar een gebied waar deze ziekte voorkomt omdat de kans op besmetting daar groter is dan in Nederland.

 

Diagnose

De uiteindelijke diagnose kan worden vastgesteld door een bloedtest. Er kan een IFA-test worden uitgevoerd die aangeeft of de hond antistoffen tegen Ehrlichiose in zijn bloed heeft. Ook kan er een PCR-test gedaan worden waarmee het DNA van de parasiet zelf kan worden aangetoond. Is dit het geval en heeft de hond één of meerdere symptomen, dan moet tot behandeling worden over gegaan.

De IFA-test kan in een vroeg stadium ook een vals negatieve uitslag geven omdat nog niet genoeg antistoffen aanwezig zijn om aan te tonen in de test en zal eventueel herhaald moeten worden.

Een aantal symptomen van Ehrlichiose is vergelijkbaar met die van Leishmaniose en Babesiose, twee andere ziekten die ook voornamelijk in de mediterrane gebieden voorkomen, en ook samen kunnen optreden. Het is daarom zeer aan te raden de hond tegelijkertijd ook op deze ziekten te laten testen (waarbij moet worden aangetekend dat Babesiose tot op heden niet is geconstateerd bij AAI-honden).

 

Behandeling

Er bestaat geen vaccinatie tegen Ehrlichiose. Ehrlichiose is met een specifieke antibioticumkuur (Doxycycline) vrij goed te behandelen, afhankelijk van het stadium van de ziekte. Bij vroege ontdekking en behandeling is de ziekte te genezen. Bij honden met chronische Ehrlichiose is genezing moeilijker.

De antibioticakuur Doxycycline moet gedurende minimaal 6 weken tot zelfs 2 maanden worden gegeven. De aanbevolen dosering Doxycycline is 5 tot 10 mg per kg lichaamsgewicht per dag, gegeven in twee doseringen met een tussentijd van 12 uur bij voorkeur met wat voer om eventuele misselijkheid te voorkomen. In sommige gevallen kan er gekozen worden voor een hogere dosering, maar dit is afhankelijk van wat de hond aan kan en uiteraard ter beoordeling van uw dierenarts.

Aangeraden wordt de hond ook een vitamine supplement B en K te geven, de dikke darm van de hond kan dit zelf namelijk moeilijker opnemen.

Als de Doxycycline te weinig effect geeft, kan ook nog behandeld worden met Imizol (Imidocarb). Dit wordt toegediend door middel van twee entingen met een tussentijd van twee weken.

Het gebruik van corticosteroïden is bij een hond met Ehrlichiose sterk af te raden!

 

Voorkomen van Ehrlichiose

Zoals reeds vermeld is Ehrlichiose een ziekte die verspreid wordt door teken. De overdracht van Ehrlichiose door de teek vindt plaats binnen ca. 24 tot 48 uur na de aanhechting van de teek. Het is dus belangrijk aan een goede tekenbestrijding te doen en aangetroffen teken onmiddellijk te verwijderen door middel van een tekenpincet (verkrijgbaar bij dierenarts of dierenwinkel). Het tekenpincet klemt u zo laag mogelijk over de kop van de teek (dus dichtbij de huid van de hond) en u verwijdert de teek vervolgens door middel van een draaiende beweging.

Ga vooral niet met uw vingers proberen de teek eraf te halen en bespuit de teek ook niet met middeltjes als alcohol, olie, bestrijdingsmiddelen e.d. De teek ‘schrikt’ daar namelijk van en spuit dan meteen zijn maaginhoud (met ziekteverwekkers) terug in de hond waardoor de kans op besmetting veel groter wordt.

Controleer uw hond dagelijks op teken. Laat de hond een goede tekenband dragen, bijvoorbeeld een Scaliborband. De Scaliborband beschermt overigens ook tegen de zandvlieg die Leishmaniose overbrengt en is dus zeker aan te raden als u de hond meeneemt naar zuidelijke landen. Gebruik een antivlooienmiddel dat ook werkzaam is tegen teken. Let op, de werkzaamheid tegen teken is korter dan de werkzaamheid tegen vlooien.

Tot voor kort werd in Nederland in de winter geen of nauwelijks tekenbestrijding op de hond toegepast. De in Nederland meest voorkomende teek, de Ixodes Ricinis ofwel schapenteek is voornamelijk actief in de periode van april tot oktober.

Helaas zijn bij een onderzoek door de faculteit van Utrecht ook teken aangetroffen waaronder de Rhipicephalus teek (bruine hondenteek) en de Dermacentor (moerasteek) welke juist het meest actief zijn in de periode van september tot april. Deze laatste twee zijn ook de belangrijkste overbrengers van de ziekten Ehrlichiose en Babesiose.

Het is dus raadzaam de hond gedurende het hele jaar te controleren en te beschermen tegen teken.

Wat is het en waar komt het voor

FIV wordt veroorzaakt door een virus dat verwant is aan het HIV virus bij de mens dat AIDS veroorzaakt. FIV wordt daarom ook wel kattenaids genoemd. FIV kan alleen de kat besmetten en niet de mens.

 

Hoe kan een kat besmet raken met het FIV-virus?

Het virus wordt overgebracht via bloedcontact. Vooral via vecht- en bijtwonden worden katten geïnfecteerd. Omdat katers veel vaker vechten is het percentage geïnfecteerde katers tweemaal zo groot als geïnfecteerde poezen. De ziekte komt het meest voor onder normale huiskatten die naar buiten gaan. Katten die binnenshuis leven in een groep waar de rangorde bepaald is zullen elkaar niet snel besmetten doordat ze niet veel vechten met elkaar.

Ook bij dekkingen wordt er vaak gebeten (nekbeet) waardoor een poes geïnfecteerd kan worden door de kater. Een drachtige poes kan het ook via de placenta en later via de moedermelk overbrengen op haar kittens .

Bij FIV geschiedt de voornaamste overdracht veel meer door een directe bijtwond met vechten en in veel mindere mate door langdurig sociaal contact. FeLV wordt daarentegen voornamelijk door langdurig sociaal contact overgedragen en in een veel mindere mate door een bijtwond met vechten.

 

Wat zijn de symptomen van FIV?

Het ziekteverloop is vergelijkbaar met HIV. Het virus tast het immuunsysteem (immunosuppressie) van de kat aan waardoor deze gevoelig wordt voor allerlei infecties.

Na infectie met het FIV virus zijn er een aantal stadia:

  • 1. Acute stadium. Dit stadium kan zonder ziekteverschijnselen optreden. Soms wordt alleen wat koorts waargenomen.
  • 2. Asymptomatische fase. In deze fase vertoont de kat geen ziekteverschijnselen. Deze periode kan een aantal jaren duren, soms zelfs langer dan 5 jaar. De kat kan wel andere katten besmetten.
  • 3. Fase met vage, algemene symptomen zoals terugkerende koorts, oogontstekingen (uveitis) verminderde eetlust en vermageren.
  • 4. AIDS gerelateerd stadium. Dit is het stadium waarin het de eigenaar opvalt dat de kat niet in orde is. Veel voorkomende ziekteverschijnselen zijn: tandvleesontstekingen, oogontstekingen, vermageren, lymfeknoopzwelling, benauwdheid, diarree. Deze symptomen worden over een periode van enkele maanden steeds erger.
  • 5. AIDS. Uiteindelijk zal een deel van de katten een stadium bereiken vergelijkbaar met AIDS bij de mens. De kat vermagert, krijgt chronische ziekteproblemen en allerlei secundaire infecties die hij niet kan overwinnen bijvoorbeeld longonsteking. Neurologische verschijnselen (zenuwafwijkingen) worden nogal eens waargenomen bij katten met AIDS

 

Hoe is FIV te diagnostiseren?

FIV is, evenals FeLV, te diagostiseren met behulp van bloedonderzoek. Met behulp van een bloedtest worden antilichamen tegen het FIV virus aangetoond. De meeste katten maken antilichamen 3-4 weken na infectie. Een eenmalige positieve uitslag betekent dat de kat besmet is.

De door ons gebruikte testmethode is de Snap Combo-test (ELISA) van Idexx. Met deze test wordt het virus aangetoond in het bloed.

De door ons gebruikte testmethode is de Snap-Combotest (ELISA) van Idexx. Met deze test worden antilichamen in het bloed aangetoond. Deze test kan in onze dierenkliniek zelf worden gedaan.

 

Is FIV te behandelen?

Kattenaids is helaas niet te genezen. De therapie bestaat uit het onderdrukken van de secundaire infecties met antibiotica. Specifieke antivirale therapie met Interferon van virbac is mogelijk maar is niet 100% werkzaam. Het is daarbij een dure behandeling en wordt daarom in de praktijk nog niet veel toegepast.

Er is momenteel in Nederland nog geen vaccin beschikbaar tegen FIV.

Het is erg belangrijk dat katten waarbij FIV is gediagnosticeerd geen andere katten kunnen besmetten. Dit betekent dat ze alleen gehuisvest moeten worden en dat ze ook niet meer naar buiten mogen. Dit ter bescherming van andere katten!

 

Hoe is FIV te voorkomen?

Het risico op infecties met FIV is het kleinst bij katten die binnen worden gehouden. Katten die in een groep leven, goed met elkaar overweg kunnen en dus niet veel vechten lopen de minste kans.

Katten die in grotere groepen worden gehouden, bijvoorbeeld in catteries of in dierenasiels/pensions dienen regelmatig gecontroleerd te worden. Positieve dieren dienen geïsoleerd te worden van de negatieve katten.

Wordt een nieuwe kat geïntroduceerd in een bestaande groep dan is het verstandig deze kat eerst te testen alvorens hij in de groep mag. De kat zal dan eerst 4 weken in quarantaine (apart gehouden van de rest) moeten en daarna kan bloedonderzoek plaatsvinden.

En zeker als u uw kat laat dekken is het van zeer groot belang dat u de negatieve test van de andere kat onder ogen krijgt, let hierbij ook op dat de test niet ouder dan 1/2 a 1 jaar is.

 

Wat is de toekomst voor een kat met aids?

Door de lange periode (gemiddeld 5 jaar) die zit tussen besmetting met het virus en het ontwikkelen van ziekteverschijnselen hebben katten met FIV een betere prognose dan katten met FeLV. Zij kunnen meestal nog een aantal jaren een goed leven hebben alvorens zij te ziek worden. Helaas zal ook een kat met aids uiteindelijk overlijden aan de complicaties van de ziekte.

Giardia is een veel voorkomende infectie. Honden die met Giardia besmet raken worden niet altijd ziek. Met name jonge honden en honden met een verminderde weerstand krijgen klachten in de vorm van diarree en braken. De beste behandeling van Giardia bij de hond is met Panacur (fenbendazol). De prognose is gunstig maar herinfectie kan optreden. Het is belangrijk te beseffen dat ook mensen ziek kunnen worden van Giardia.

 

Besmetting met Giardia bij de hond

De Giardia parasiet die in de darmen zit noemen we een trophozoiet. Deze trophozoieten worden in de ontlasting uitgescheiden. Na een korte periode als dusdanig in de buitenwereld te zijn geweest zal deze trophozoiet een wand om zichzelf maken en een oöcyst gaan vormen. Dit zijn een soort eitjes die twee (nog niet volledig complete) trophozoieten bevatten. In deze vorm kan de oöcyst lange tijd overleven (meerdere maanden).

Als een hond of kat een dergelijke oöcyst inneemt zal de wand van de oöcyst verteren en komen de twee trophozoieten vrij waarna er een besmetting kan plaatsvinden. Honden en katten kunnen zich dus besmetten met Giardia met name door indirect contact met ontlasting van andere dieren, bijvoorbeeld op grasvelden en wegen.

 

Symptomen van Giardia bij de hond

Met name jonge dieren of dieren met een verminderde weerstand worden ziek van Giardia. Gemiddeld duurt het ca. 1-2 weken voordat er symptomen ontstaan. Deze zijn:

  • Diarree
  • Buikpijn.
  • Winderigheid.
  • Slijm bij de ontlasting.
  • Algemeen ziek en sloom.

Niet ieder dier dat besmet wordt met Giardia zal ziek worden.